Waarborgen in het milieurechtActuele ontwikkelingen in besluitvormingsprocedures en rechtsbescherming Verslag van de VMR-studiemiddag op 1 maart 2005 F.A. de Lange* Verschillende ontwikkelingen inzake de algemene regelingen voor besluitvormings- en beroepsprocedures betreffen ook - of juist - de procedures in het milieurecht. De afschaffing van de actio popularis, de beroepsbevoegdheid van een ieder die gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om bedenkingen in te brengen in een voorbereidingsprocedure – is daarvan één van de duidelijkste voorbeelden. Van belang is het voorts om zorgvuldig te kijken naar de ontwikkelingen die volgen uit het Verdrag van Aarhus, en de gevolgen daarvan voor de regeling van de waarborgen in het milieurecht. De VMR besteedde hier tijdens een studiemiddag aandacht aan. Mr. B.K. Olivier (UvA) en mr. W.J. Mesters (ministerie van VROM) verzorgden de inleidingen, twee referenten, mw. mr. drs. G.C. Sicking (N.V. Belgian Shell) en mr. A.F.F. Goedhart (Stichting Natuur en Milieu) gaven daar een reactie op. De vergadering werd besloten met een plenaire discussie over het thema. Hier volgt een verslag van deze vergadering. Nationale ontwikkelingen De Wet Elektronisch bestuurlijk verkeer, van 29 april 2004, is een uiterst summiere wet. Dit omdat de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State besloot tot een dynamische interpretatie van het begrip ‘schriftelijk’: alles dat drager kan zijn van schrifttekens. Als gevolg van deze jurisprudentielijn beperkt de wet zich in de eerste plaats tot het verkeer tussen burgers en bestuursorganen (en bestuursorganen onderling). In de tweede plaats is het gebruik van de elektronische snelweg niét verplicht. Artikel 2:14a Awb stelt als voorwaarde dat burgers zelf voldoende kenbaar moeten maken dat zij elektronisch willen communiceren. Het enkele feit dat het emailadres bekend is bij het bestuursorgaan is onvoldoende. Besluiten van algemene strekking kunnen niet uitsluitend elektronisch bekend worden gemaakt (artikel 2:17 en 3:42 Awb). Bovendien biedt artikel 2:15 Awb keuzevrijheid aan het bestuursorgaan. Kiest het voor communicatie via de elektronische weg, dan mag het daaraan eisen stellen. Als het bestuursorgaan deze weg heeft uitgesloten, dan mag het een elektronisch verzonden bericht op de in artikel 2:15 genoemde gronden weigeren. Artikel 8:4 Awb sluit een dergelijke weigering voor bezwaar of beroep uit. Niettemin kan een emailbericht een aanvraag of een bezwaarschrift bevatten. Dan kan het enkel buiten behandeling worden gelaten indien herstelmogelijkheden zijn geboden (artikel 4:6, resp. 6:6 Awb). Tot slot geldt dat beslistermijnen soms fataal zijn en lopen vanaf binnenkomst van de aanvraag. Als het bericht verkeerd of ten onrechte elektronisch is ingediend, kan het zijn dat van rechtswege vergunningen ontstaan. Het Wetsvoorstel voor de nieuwe openbare voorbereidingsprocedure (de toekomstige afdeling 3.4 Awb) houdt het midden tussen de twee oude procedures (afdelingen 3.4 en 3.5 Awb). Inspraak wordt niet langer aan een ieder geboden, maar enkel aan belanghebbenden, tenzij bij bijzondere wet anders is aangegeven. Tegen de ex afdeling 3.4 genomen besluiten staat geen bezwaar open, maar direct beroep en wel alleen nog voor belanghebbenden, mits zij hebben ingesproken (wijziging 6:13 Awb). Later instappen is voor belanghebbenden niet meer mogelijk. Het omgevingsrecht verliest daarmee de getrapte actio popularis. In de Tweede kamer rees de vraag of de Medemblik-lijn voor het hele bestuursrecht zou gaan gelden, nu belanghebbenden gebruik moeten maken van de mogelijkheid in te spreken om een beroepsrecht te garanderen, of dat deze jurisprudentielijn zou moeten worden verfijnd. De regering stelde dat niet meer kan worden geklaagd over onderdelen van een besluit welke niet zelfstandig tijdens de afdeling 3.4 procedure ter discussie zijn gesteld. Wel kunnen nieuwe feiten worden gegeven of nieuwe gronden worden aangevoerd tegen onderdelen van het besluit waartegen de appellant al zienswijzen heeft ingebracht. De lijn in de jurisprudentie is op dit moment echter dat de beroepsgronden te herleiden moeten zijn tot hetgeen eerder is ingebracht. Het advies voor de toekomst is dan ook: zoveel mogelijk inbrengen in de inspraakprocedure. Europese ontwikkelingen Ten behoeve van de ratificatie in Nederland zijn twee wetten aangenomen (op 14 februari jl. in werking getreden). Het betreft de Goedkeuringswet en de Uitvoeringswet Verdrag van Aarhus (Stb. 2004, 518 resp. 519). Strikte implementatie was de opzet; geen verdergaande wetswijzigingen dan internationaal vereist. Uiteindelijk is niet gewacht op de Europese richtlijnen, omdat Nederland daardoor haar onderhandelingspositie bij de nadere uitwerking van het dan al inwerking getreden Verdrag van Aarhus zelf dreigde te verliezen. Niettemin sluit de Nederlandse ratificatie ook aan bij EG-richtlijnen inzake de eerste twee pijlers (Rl. 2003/4/EG en Rl. 2003/35/EG). De uitvoeringswet wijzigt het nationale regime met betrekking tot toegang tot milieu-informatie door opname van een relativering van de uitzonderingsgrond inzake bedrijfs- en fabricagegegevens (waarbij het publieke belang van openbaarheid op voorhand zwaar dient te wegen) en door opname van absolute openbaarheid van emissiegegevens (op bedrijfsniveau). Met betrekking tot de tweede pijler wordt voorzien in invoering van inspraak bij een beperkt aantal plannen en programma’s. Ten behoeve van de derde pijler is wijziging van het Nederlandse recht niet noodzakelijk geacht (de nu nog geldende getrapte actio popularis voldoet). De Richtlijn inzake toegang tot milieu-informatie breidt de definitie en de kwaliteit van milieu-informatie uit ten opzichte van het Verdrag van Aarhus. Ook stelt ze strengere eisen aan de openbaarheid van emissiegegevens. De Richtlijn inzake publieke inspraak ziet op procedurele eisen aan de inspraak bij de totstandkoming van een aantal plannen en programma’s met een communautaire oorsprong, en bevat wijzigingen van de IPPC- en MER-richtlijn. Voor de verzoeker om milieu-informatie geldt dat deze geacht wordt belanghebbende te zijn. Bovendien moet de milieu-informatie in beginsel in de verzochte vorm worden verstrekt (en wel feitelijk binnen vier weken), tenzij de informatie al in een andere vorm publiekelijk beschikbaar is of dit redelijkerwijs niet kan worden gevergd. Materieel geldt, naast wat hiervoor al is genoemd, dat een actieve verspreiding van milieu-informatie meer de nadruk krijgt (waarbij expliciet een rol is weggelegd voor ICT). Tot slot gelden expliciete kwaliteitseisen: de informatie dient actueel, nauwkeurig, vergelijkbaar en kenbaar (ten aanzien van de meetmethodes) te zijn. De Europese Unie heeft een zogeheten Aarhus-pakket opgesteld, bestaande uit: een ontwerpverordening betreffende toepassing van Aarhus op de EG-instellingen en een ontwerprichtlijn toegang tot de rechter (derde pijler). De richtlijn ligt gevoelig om redenen van subsidiariteit en proportionaliteit en het is nog maar de vraag of hij er zal komen. De ontwerpverordening bevat een aantal voor het EG-recht nieuwe definities: administratieve handeling, communautaire instellingen (ook agentschappen) en EG-milieurecht. Voorts bevat deze specifieke uitzonderingsgronden in relatie tot Verordening 1049/2001 (de Euro- Wob, voor de klassieke instellingen). Met betrekking tot de tweede pijler zijn inspraakmogelijkheden voor bepaalde communautaire milieuplannen en -programma’s opgenomen. Ten behoeve van de derde pijler is voorzien in een interne herzieningsmogelijkheid, gevolgd door de mogelijkheid van beroep voor NGOs bij het Europese Hof van Justitie (de herzieningsbeslissing valt onder artikel 230(4) EG-Verdrag). De ontwerpverordening bevat criteria waaraan de NGOs moeten voldoen: onafhankelijke rechtspersonen zonder winstoogmerk, statutaire doelstelling tot milieubescherming in de context van het milieurecht (als bedoeld in de verordening, waarmee het communautaire karakter naar voren komt) en langer dan twee jaar bestaan. Het Europese parlement heeft in eerste lezing aangegeven een verdere verruiming van de openbaarheid te wensen en naast NGOs ook herziening en beroep voor natuurlijke en rechtspersonen op te nemen. Bovendien vindt het dat voor NGOs minder criteria moeten gelden. Referent 1 Referent 2 Plenaire discussie Naar aanleiding van vragen van Groen en Van der Jagt, geeft Mesters een nadere toelichting op de relativering van de uitzonderingsgrond en het absoluut openbaar maken van emissiegegeven. Het verschil met de oude Wob is dat de gegevens niet langer ongemotiveerd mogen zijn. Dit is iets anders dan alle onderliggende gegevens verstrekken. Het bestuur dient de juistheid van die gegeven te controleren en het publiek ervan te overtuigen dat ze er ook echt zicht op heeft. Specifiek voor CO2-emissies geldt de Wet verhandelbare emissierechten inzake CO2-emissies. Deze wet kent een verificatiesysteem van gegevens, door middel van interne procedures en controle, en dus los van de overheid en de vergunninghouder. Omdat dit systeem in de wet is opgenomen is voldoende waarborg gegeven, en is de onderbouwing zelf dus niet openbaar. Voor andere emissies bestaat een dergelijk systeem niet; vergelijkbaarheid van de gegevens tussen bedrijven kan dan niet worden gegarandeerd. Wil het bestuursorgaan toch ‘vergelijkbaarheid’ bieden, dan zal het dat zelf goed moeten onderbouwen.Uitgegaan wordt van de definitie van het begrip emissie zoals die in de IPPC-richtlijn is opgenomen (deze is ook te vinden in de Implementation Guide bij het Verdrag van Aarhus). Informatie die vertaald kan worden naar emissies (zoals energiebesparingen) zien veelal op technieken en dus niet op directe emissies, in welk geval de relatieve weigeringsgrond geldt. Naar aanleiding van vragen van Peeters, De Lange en Jansen wordt ingegaan op specifieke consequenties van de nieuwe afdeling 3.4 in relatie tot het Verdrag van Aarhus. Artikel 3:13 betekent een verschraling ten opzichte van de regeling van hoofdstuk 13 van de Wm, nu alleen nog aan direct belanghebbenden een kennisgeving van een aanvraag zal worden gezonden. Omwonenden zullen alleen nog via huis aan huis krantjes op de hoogte kunnen blijven van ontwikkelingen in hun nabijheid. Het belanghebbende begrip zal weer onder druk komen te staan. De Raad van State heeft hier ook al over aangegeven dat met de schrapping van de actio popularis wel eens een verschuiving in de jurisprudentie omtrent artikel 1:2, derde lid, zou kunnen plaatsvinden zonder op voorhand een richting aan te geven. Onduidelijk is of het Verdrag zij die geparticipeerd hebben aanmerkt als belanghebbenden voor toegang tot de rechter. In Nederland geldt onder de huidige jurisprudentie dat dit niet het geval is, ook niet als vervolgens een bezwaarschrift is ingediend. De Implementation Guide suggereert dat dit wel het geval zou kunnen zijn. Als dat klopt wordt alsnog een getrapte actio popularis geďntroduceerd door het Verdrag. Tot slot benadrukken Goedhart, Uylenburg, Olivier en Arentz de rol van de Raad van State bij het invullen van het belanghebbendenbegrip en het beantwoorden van ontvankelijkheidsvragen. De reikwijdte van de rechtsbescherming zal na de voorgestelde wijzigingen te meer daarvan afhankelijk zijn. Noot: |
| Homepage | Email |