Risico's en het milieu-en ruimtelijke ordeningsrecht
Verslag ledenvergadering van de Vereniging voor Milieurecht 12 april
2001
1. Inleiding
Op 12 april 2001 hield de VMR een ledenvergadering over risico's in het
milieu- en ruimtelijke ordeningsrecht. Aanleiding was het rapport van
de commissie onderzoek vuurwerkramp ('de commissie Oosting') dat op 28
februari j.l. verscheen. De voorzitter van deze commissie, Mr. M. Oosting
, mr. H.J.A.M. van Geest (hoofddocent KUN) en mevr. mr. M.A. Robesin (Stichting
Natuur en Milieu) hielden inleidingen waarna een discussie volgde. Hieronder
een verslag.
2. De overheid die zijn verantwoordelijkheid niet nam.
Na vertoning van de videoband van de commissie onderzoek vuurwerkramp,
houdt Oosting zijn inleiding, waarin, gezien het onderwerp van de studiemiddag,
met name het RO- en het milieuspoor aan de orde komen. Veel aandacht voor
de rol van de overheid derhalve, wat niet wegneemt dat de commissie ook
de nodige kritiek aan het adres van het SE-Fireworks heeft gericht. Oosting
schetst kort de ontstaansgeschiedenis van het bedrijf. Voor wat betreft
het RO-spoor springt het meest in het oog dat, was bij de milieuvergunningaanvragen,
het wettelijk verplichte bouwvergunningsspoor meegenomen, uitbreiding
van het bedrijf op grond van het bestemmingsplan niet toegestaan zou zijn.
Bij een bouwtechnische toetsing zou bovendien zijn gebleken dat mavo-boxen
en zeecontainers, waarin SE-Fireworks vuurwerk opsloeg, niet aan de brandwerendheidseisen
voldeden.
Het Wm-spoor laat zien dat het bedrijf vanaf de oprichting in 1977 is
veranderd van een bedrijf waar licht vuurwerk werd opgeslagen,in een bedrijf
waar zwaar, professioneel vuurwerk werd opgeslagen en bewerkt. De gemeente
was daarvan reeds in 1993 op de hoogte gebracht door het Bureau advisering
milieuvergunningen van Defensie, dat een controlerende taak in deze heeft.
De reactie van de gemeente was echter telkens legalisatie achteraf van
reeds lang bestaande situaties. De commissie stelt dat er duidelijk sprake
geweest van onvoldoende toezicht. Verder heeft de commissie de nodige
kritiek op de vergunningverleningsprocessen. Onvolledige aanvragen werden
toch in behandeling genomen en in de verleende vergunningen ontbraken
adequate brandveiligheidsvoorschriften. Cruciaal is, zoals eerder genoemd,
dat geen koppeling met de bouwvergunning werd gelegd. Een daarvoor bestemd
hokje werd door de behandelend ambtenaar eenvoudigweg niet aangekruist.
Ook verdienen de Enschedese Wm-vergunningen, op het punt van de brandveiligheidseisen,
in vergelijking met andere gemeenten, niet de schoonheidsprijs. Vergunningverlening
en toezicht waren in feite in één hand, laag in de organisatie
en er was geen coördinatie met RO en brandweer.
De commissie heeft ook de nodige aandacht voor de Rijksoverheid. Men constateert
tekortkomingen in de regelgeving (een adequaat vuurwerkbesluit liet jaren
op zich wachten), de gevolgen die (niet) voortvloeiden uit de ramp in
Culemborg in 1991 en kennis over onjuiste classificatie van zwaar vuurwerk
die niet werd gedeeld met de bevoegde gezagen die belast waren met de
vergunningverlening. Volgens Oosting is een belangrijk punt in de analyse
het onvoldoende erkennen van externe veiligheid als een belang waarvoor
de overheid een bijzondere verantwoordelijkheid heeft. Deskundigheid is
weggelekt, verantwoordelijkheden zijn versnipperd, regelgeving is ontoegankelijk,
onvoldoende coördinatie tussen RO en milieu en onvoldoende uitwisseling
tussen gemeente en rijk en onvoldoende toezicht en handhavingsinspanningen.
De commissie doet vele aanbevelingen. Oosting constateert dat deze, blijkens
de reactie van het kabinet van 23 maart jl., vrijwel allemaal worden overgenomen.
Tenslotte noemt hij wederom de benodigde cultuuromslag en benadrukt nog
eens dat hij een cultuuromslag in dubbele zin bedoelt, dus binnen overheid
èn binnen de samenleving. Het kan niet zo zijn dat de samenleving
aan de ene kant van de overheid verlangt dat ze op afstand blijft en aan
de andere kant 'du moment' dat er een ramp gebeurt, diezelfde overheid
aanspreekt op zijn verantwoordelijkheid. De overheid zal ruimte en middelen
moeten krijgen. Moderne zaken als 'horizontalisering, onderhandelen, marktdenken
en klantvriendelijkheid' dienen niet het enige paradigma te zijn van waaruit
de samenleving naar de overheid kijkt.
3. Een tweede cultuurverandering: verruimtelijking van de milieuvergunning
en vergroening van het bestemmingsplan.
De tweede spreker, Van Geest, wil het hebben over een andere cultuurverandering
die wellicht op komst is: meer aandacht voor het milieu binnen de RO-regelingen
en meer aandacht voor RO-aspecten binnen het milieurecht. Voor hem zijn,
naast Enschede, de discussienota over de fundamentele herziening van de
WRO en de VROM-discussienota 'Met recht verantwoordelijk!', een goede
aanleiding om hier een inleiding te houden.
Van Geest vindt het opvallend dat er in het Oosting-rapport nu eens niet
sprake is van een verouderd bestemmingsplan maar desondanks krijgt men
niet de indruk dat het bestemmingsplan nu zo'n grote rol speelde. Toch
kan een bestemmingsplan in het milieuspoor wel een rol spelen. Gezien
uitspraken van zowel Kroon als Afdeling lijkt het bestemmingsplan steeds
meer een zelfstandig middel om milieubeleid gestalte te geven ook krijgt
het milieubelang in het begrip 'goede ruimtelijke ordening' uit artikel
10 WRO een steeds grotere rol.
Toch stelt Van Geest de vraag of het bestemmingsplan daarmee zo'n ideaal
voertuig is. Het is de vraag of je, gezien artikel 10 WRO, milieukwaliteitseisen
in een bestemmingsplan kunt opnemen. Bij het maken van keuzes in de planning,
spelen ze een rol, ze werken indirect door. Directe doorwerking, waarbij
ze onderdeel worden van een bestemmingsplan en fungeren als toetsingskader
voor bouwvergunningen, lijkt in strijd met artikel 10 WRO. Volgens Van
Geest is er nog een andere mogelijkheid. Op grond van artikel 36 WRO kunnen
via amvb's, bijvoorbeeld het Besluit op de ruimtelijke ordening, milieukwaliteitseisen
doorwerken in het bestemmingsplan. In zo'n amvb kunnen namelijk nadere
voorschriften worden gesteld omtrent voorbereiding, vormgeving en inrichting
van structuur- en bestemmingsplannen. In het ontwerp-Vuurwerkbesluit gebeurt
iets dergelijks door te bepalen dat de gemeenteraad daarin genoemde afstanden
in acht neemt bij het vaststellen van een bestemmingsplan. Toch is het
jammer dat die regeling niet rechtstreeks is gebaseerd op de WRO. Wanneer
je normen wilt stellen in RO-instrumenten moet je de basis voor die normen
ook in de RO wet vastleggen.Van belang is het voorts dat bestemmingsplannen,
om goed aan te kunnen sluiten bij het milieubeleid, het karakter van een
beheersplan hebben en niet van een ontwikkelingsplan. Bij de de milieuvergunningverlening
moet volgens van Geest expliciet worden bepaald dat milieubelastende activiteiten
mede getoetst kunnen worden aan consequenties daarvan voor kwaliteit van
de ruimtelijke leefomgeving. Nu legt de rechter dat nogal restrictief
uit door enkel 'vrijwel zekere ontwikkelingen' mee te nemen in de toetsing.
Over de, door Oosting bekritiseerde, afstemmingsregeling merkt Geest op
dat deze regeling op zich goed werkt en wijziging niet nodig is . De meeste
bouwwerken vallen onder die regeling omdat een bouwvergunning tegenwoordig
vrijwel altijd nodig is, dit is in de gewijzigde Woningwet niet anders.
Zorgelijk is wel het feit dat steeds meer inrichtingen onder algemene
regels komen te vallen, waardoor de afstemmingsregeling voor een steeds
kleinere categorie geldt.
4. Verbeteringen in regelgeving en organisatie rond risicovolle activiteiten
Robesin besteedt in haar inleiding vooral aandacht aan risico's, zichtbare
en onzichtbare. Enschede was een ramp die zeer zichtbaar was, maar op
talloze plaatsen vindt een sluipende aantasting van natuur en milieu plaats.
Het meest schokkende aan de vuurwerkramp vindt Robesin dat de voorgeschiedenis
bepaald niet ongebruikelijk is. Milieuorganisaties probeerden in 1998
bij twintig heel verschillende bedrijven inzicht te krijgen in de feitelijke
naleving van voorschriften. Alleen al het ter inzage krijgen van stukken
was vaak problematisch. Daarnaast schrok men van het aantal overtredingen
waar de overheid niet of traag op reageerde. Dat betrof lang niet altijd
kleinigheden.
Wat moet er nu na Enschede volgens de milieuorganisaties veranderen? Allereerst
moeten burgers zicht krijgen op de risicovolle activiteiten en de consequenties
daarvan in hun buurt. In het kabinetsstandpunt naar aanleiding van het
Oosting-rapport wordt daaraan gevolg gegeven door een wettelijke plicht
voor gemeenten in te voeren om risico-inventarisaties te maken in het
kader van de planvorming. ICT moet daarbij ook een belangrijke rol gaan
spelen zodat over een paar jaar via internet vrij eenvoudig te zien moet
zijn welke risico's er in de omgeving zijn.
Volgens Oosting zou het Besluit risico's zware ongevallen (Brzo) uitgebreid
moeten worden zodat bijvoorbeeld vuurwerkbedrijven daar onder vallen.
Maar hoe zit het met andere bedrijven? Worden de risico's daarvan goed
ingeschat?
Verder moet gekeken worden naar de deskundigheid van het bevoegd gezag:
de inspectie milieuhygiëne zou haar adviesrol weer serieus moeten
gaan nemen en zo nodig in beroep moeten gaan tegen verleende vergunningen.
Wat dat betreft juicht zij de wettelijke adviseursrol van de brandweer.en
het instellen van een expertisecentrum toe.
Voor wat betreft toezicht en handhaving moet toch toegewerkt worden naar
het oprichten van regionale handhavingsdiensten. Als we 'Met recht verantwoordelijk!'
bekijken lijkt alles aardig geregeld te gaan worden. Toch wil Robesin
nog aandacht voor de rol van de rechter. Procedures duren lang en stapelen
zich vaak op. Ook moet de Afdeling oordelen binnen de grenzen van de procedure,
als zaken niet als bedenking zijn ingebracht, kan de rechter daar geen
aandacht aan besteden. Dit kan ertoe leiden dat het oppertoezicht van
de rechter op normstelling en handhaving tekortschiet. Kortom: het is
verschrikkelijk wanneer mensen slachtoffer worden van een risico waarvan
ze het bestaan niet eens wisten. Het is misschien nog erger wanneer slachtoffers
al jaren waarschuwden voor het risico. Waarschuwen voor rampen doe je
niet om achteraf gelijk te krijgen, maar om ze te voorkomen.
5. De discussie
In de discussie was aandacht voor zichtbare en minder zichtbare risico's
en de verantwoordelijkheid van overheid èn ondernemers in deze.
Ook was er aandacht voor het feit dat steeds meer inrichtingen, waaronder
ook bedrijven met behoorlijk wat risico, onder artikel 8.40-amvb's vallen.
Deze amvb's worden nogal globaal en qua handhaving niet altijd even duidelijk
gevonden. Veel aanwezigen tonen zich zeer sceptisch over deze ontwikkelingen.
Als gevaar van deze ontwikkeling wordt genoemd dat bedrijven niet meer
als individuele eenheid worden gezien. Juist voor toezicht en sancties,
en überhaupt de benadering van het bedrijf, is een individuele benadering
van groot belang. Van belang is ook dat de BUGM- en VOGM-gelden voor de
lagere overheden zijn opgegaan in de algemene geldstromen. Deze ontwikkelingen
staan haaks op datgene wat het kabinet de laatste jaren vooral richting
lagere overheden roept: er moet veel meer en veel beter gehandhaafd worden.
Wat dat betreft is er ook wel sympathie voor een vertegenwoordiger van
zo'n lagere overheid in de zaal, die aangaf dat het er nu op lijkt op
zij het allemaal zo beroerd doen. Dat is natuurlijk ook weer niet zo.
Oosting wijst er op dat het fenomeen algemene regels berust op een aantal
gedragshypothesen over de manier waarop ondernemers zich zullen gedragen.
Hij vreest dat, waar de overheid aan de ene kant terugtreedt, je de toezichtcapaciteit
moet versterken. Dat zou alleen niet nodig zijn als je inderdaad altijd
verantwoordelijke ondernemers hebt die, ook indien dat in hun eigen commercieel
belang niet aantrekkelijk zou zijn, toch precies doen wat vereist is,
ook al doen concurrenten dat niet. Oosting heeft zo zijn twijfels over
de deugdzaamheid van de gehanteerde gedragshypothesen. Robesin voegt daar
aan toe dat ook de positie van derden slechter is bij algemene regels,
zij kunnen geen beroep aantekenen. Van Geest doet er nog een schepje bovenop:
hij constateert dat niet zozeer de milieubelasting het criterium is voor
algemene regels, maar de standaardiseerbaarheid. Tegen zijn studenten
zegt hij wel eens: zelfs kerncentrales zijn standaardiseerbaar. Verder
worden genoemd de problemen van amvb's met alara en de IPPC-richtlijn:
je gaat uit van een gemiddelde en aan bijvoorbeeld actualiseringsplicht
uit de IPPC-richtlijn, lijkt niet voldaan te worden. Neem daarbij nog
de constatering dat gemeenten zich over het algemeen toch minder betrokken
voelen bij amvb's en de conclusie mag zijn dat het beeld er niet rooskleuriger
op wordt. Inzake de relatie tussen milieu en RO komt aan de orde dat er
enerzijds regels zijn die bepaalde afstanden bevelen en anderzijds krachten
die dergelijke regels weer overboord zetten, denk bijvoorbeeld aan de
voorgenomen wijzigingen in de Wet geluidhinder. Een andere constatering
is dat, gezien de nog steeds oprukkende woonbebouwing, het blijkbaar voor
het openbaar bestuur buitengewoon lastig om de rug recht te houden wanneer
het om afstandsnormen gaat. Volgens Oosting is dat inderdaad een paradox
in de samenleving: we willen heel veel, moeten kiezen maar hebben daar
moeite mee, als individu en als samenleving. Robesin bekent dat ook de
milieubeweging daar intern mee kampt: enerzijds pleit men voor het behoud
van de groene ruimte, dat betekent veel activiteiten in compacte steden,
wat weer consequenties voor risico's heeft. Gewaarschuwd wordt tegen het
vervallen in gelegenheidswetgeving naar aanleiding van een ramp. Bij vuurwerk
blijkt nu weer dat enerzijds de regels voor opslag veel strenger worden,
terwijl vervoer een blinde vlek blijft. Robesin pleit zelfs voor ketenverantwoordelijkheid,
zodat risico's over de grens,bijvoorbeeld bij de productie van vuurwerk
in China, in beeld komen. Oosting relativeert dat door te wijzen op de
eerder genoemde paradox: je kunt dat allemaal willen, maar ondertussen
gaat iedereen zijn eigen gang. Het eerste oudjaar na Enschede ging er
weer voor miljoenen de lucht in. Hiermee werd deze discussie gesloten.
mr. L. Albers (secretaris Vereniging voor milieurecht)
|