Emissiehandel
Verslag van de VMR-studiemiddag op 18 september 2003
Liesbeth Albers*
Emissiehandel is een nieuw instrument om de internationaal verplichte
reductie van stikstofoxiden (NOx) en broeikasgassen (waaronder CO2) te
realiseren. De inzet van dit op marktsturing gerichte instrument wordt
mogelijk door een wijziging van de Wet milieubeheer. Op het moment van de
bijeenkomst lag een voorontwerp ter inzage. Op Europees niveau is eveneens
overeenstemming bereikt over een ontwerprichtlijn voor handel in
emissierechten voor broeikasgassen. Het Nederlandse wetsvoorstel dient
mede ter implementatie van deze richtlijn. In 2005 moet de emissiehandel
van start gaan. De VMR vroeg een aantal sprekers om commentaar en om
een blik te werpen op de juridische en praktische consequenties en
effectiviteit van de regeling.
1. Emissiehandel op hoofdlijnen. Hester Klein Lankhorst (1)
belicht in haar bijdrage de hoofdlijnen van het instrument emissiehandel
(beter gezegd: handel in emissierechten). In Nederland krijgen wij te
maken met twee systemen, een voor CO2 en een voor NOx. Beide systemen
zullen van elkaar verschillen wat o.a. is veroorzaakt door de
verschillende ontstaansgeschiedenis van de systemen. CO2 krijgt een
absoluut systeem waarbij op voorhand een aantal rechten worden toegekend
en NOx kent een relatief systeem waarbij elk jaar een in een AMvB
vastgelegde prestatienorm van kracht is die gerelateerd is aan het
brandstofverbruik.
Emissiehandel komt voort uit internationale verplichtingen zoals het
Kyoto Protocol (CO2) en het Goteborgprotocol (NOx) op grond waarvan de EU
als geheel aan de doelstellingen zal proberen te voldoen. Op grond van
Europese richtlijnen gelden voor Nederland emissieplafonds die door middel
van een emissievergunningensysteem voor een bepaalde categorie bedrijven
zullen gaan gelden. Bij de CO2-handel hoeft daarbij vooralsnog niet aan
BAT uit de IPPC-richtlijn voldaan te worden. Bij de NOx-handel kan dat
complicerend werken, een individuele inrichting moet nog steeds aan de
voorwaarden uit de IPPC-richtlijn voldoen. De belangrijkste
voorschriften in de emissievergunning zijn de monitorings- en
rapportagevoorschriften. Bij CO2 komt daar de verplichting bij om binnen
vier maanden na het einde van het jaar een hoeveelheid emissierechten in
te leveren dat gelijk is aan de totale hoeveelheid emissie van de
installatie c.q. inrichting. Doordat er minder voorschriften zijn kan de
vergunningprocedure in de regel sneller worden doorlopen dan die van een
reguliere milieuvergunning.
De CO2-rechten voor individuele bedrijven worden door elke lidstaat
voor een bepaalde periode vastgelegd in een toewijzingsplan. Over wat
daarvoor als basis moet gelden (bijvoorbeeld het bestaande
benchmarkconvenant) wilde Klein Lankhorst in verband met de lopende
discussie niet ingaan. In een toewijzingsbesluit worden rechten definitief
toegewezen. In beide procedures is inspraak mogelijk, tegen het
toewijzingsbesluit kan beroep worden ingesteld bij de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State, met de mogelijkheid van een
tussenuitspraak, zodat recht wordt gedaan aan het belang van
rechtsbescherming en de snelheid van het proces.
De toewijzing van NOx rechten volgt rechtstreeks uit de wet en is
gekoppeld aan een prestatienorm en het brandstofverbruik. De prestatienorm
wordt steeds meer aangescherpt waardoor de totale NOx-uitstoot steeds
minder wordt. De rechtsbescherming bij NOx zit in de vervolgstappen, te
weten een handhavingsbesluit of een ambtshalve vaststelling van het aantal
emissierechten.
Voor de handhaving van het systeem zullen overtredingen in eerste
instantie bestuursrechtelijk worden afgedaan, pas bij verzwarende
omstandigheden gaan strafrechtelijke sancties een rol spelen (bijvoorbeeld
bij valsheid in geschrifte). Wanneer de emissienorm wordt overschreden
kan de emissieautoriteit een bestuurlijke boete opleggen en moet het
tekort aan emissierechten gecompenseerd worden. Bovendien kunnen de namen
openbaar worden gemaakt van overtreders (‘ naming and shaming’).
2. Provincies en emissiehandel. Frans van Brenk (2) brengt in
beeld wat de introductie van emissiehandel voor een vergunningverlenende
instantie betekent. Het aantal bevoegde gezagen dat met emissiehandel te
maken krijgt bedraagt enkele tientallen: de provincies en een aantal
gemeenten. Er komen twee regimes naast elkaar, het oude op basis van
hoofdstuk 8 Wm en het nieuwe, emissiehandel op basis van hoofdstuk 16 Wm.
Provincies hebben volgens Van Brenk van meet af aan het idee van
emissiehandel verwelkomd, alhoewel er een vervlechting gaat plaatsvinden
tussen emissiehandel en bestaande regulerende taken. Het gaat om dezelfde
bedrijven en er is samenhang tussen de verschillende emissies. De
verschillende bevoegde gezagen dienen goed samen te werken, alleen al om
mutaties in de bedrijvenlijst adequaat te verwerken. Verder moeten
monitoring (meten, registreren) en rapporteren aan de verschillende
bevoegde regimes goed op elkaar afgestemd worden en, als dat kan, moeten
samenvallen. Tenslotte moeten toezicht en handhaving op elkaar worden
afgestemd, zowel qua bezoekfrequentie en afspraken die tijdens de bezoeken
worden gemaakt.
Een extra complicatie bij NOx-emissiehandel zijn de verplichtingen uit
de IPPC-richtlijn. Emissiehandel hanteert een fundamenteel ander
uitgangspunt dan het oude stelsel, namelijk een plafond voor een groep van
bedrijven in plaats van de stand der techniek per installatie. Voor NOx
zal dit een belemmering voor de handel zijn omdat de keuze om daar te
reduceren waar dat het goedkoopst is, wordt ingeperkt. Een moeilijkheid
volgens Van Brenk bij de Wm-vergunningverlening is dat de eisen voor
procesemissies van een installatie die onder emissiehandel valt,
vastgelegd moeten worden in een Wm-vergunning. Die eisen zullen moeten
stroken met de IPPC-richtlijn (lees: BAT). Aan de andere kant is duidelijk
dat de hoogte van de vergunningeis voor het milieu niets uitmaakt, vanwege
de deelname aan emissiehandel. Immers, de eventuele extra reductie kan
verkocht worden, waardoor reductie elders achterwege blijft. Een scherpe
vergunningeis jaagt een bedrijf op kosten en kan de speelruimte in de
emissiehandel beperken. Provincies kunnen met dit dilemma omgaan door
gebruik te maken van de speelruimte die er veelal is in de BREFs, waarin
BAT wordt vastgelegd. In de vergunning wordt dan de meest soepele eis
opgenomen die nog als BAT kan worden aangemerkt, een handelwijze die
volgens Van Brenk ingaat tegen ‘het gevoel van de vergunningverlener’ om
altijd de meest scherpe, nog redelijke eis op te leggen.
De plannen voor CO2 emissiehandel vergen eveneens actieve betrokkenheid
van het Wm-bevoegd gezag. Ten tijde van de studiemiddag was dat de
allocatie van de rechten, waarvoor bedrijfsspecifieke kennis nodig is.
Verder is inbreng en afstemming met het Wm-gezag nodig bij het verlenen
van emissievergunningen en tenslotte is de vraag of energie-efficiency
onderdeel moet blijven van de Wm-vergunningen en wat de gevolgen zijn voor
het convenant benchmarking of de Meerjarenafspraak energie-efficiency. De
voorlopige voorkeur van Van Brenk is dat alle energieverbruik die leidt
tot CO2-emissies, onder emissiehandel valt en alle andere onder een ander
instrument, zodat overlap wordt vermeden. Tussen de NEa en provincies
zijn inmiddels afspraken gemaakt zoals een informatiestatuut inzake
wederzijdse informatievoorziening en afstemming van activiteiten.
3. Het (on)recht van emissiehandel. Marco Mensink (3), juicht
emissiehandel toe. Het leidt immers tot het treffen van maatregelen op die
plaats waar dat tegen de laagste kosten kan. Juist voor een land als
Nederland met veel ‘early action’ is dat interessant. Mensink stelt echter
de vraag of de wijze waarop de emissiehandel gestalte krijgt wel spoort
met o.a het verbod van staatssteun. De plafonds in het voor CO2 gekozen
cap & trade systeem verschillen per land in percentage en zwaarte en
zetten de Europese concurrentie op zijn kop. Verder zijn er vragen bij de
afbakeningscriteria (20 Mw/t, inrichtingen/installaties en het basisjaar).
De allocatiecommissie van EZ, VROM, VBE NOVEM en het bedrijfsleven moeten
samenwerken in de lopende discussies. Verder zou het benchmarkconvenant
als basis voor het allocatiesysteem moeten gelden omdat bedrijven die tot
de wereldtop behoren voldoende rechten moeten krijgen. Tenslotte dient het
uitgangspunt van het systeem PSR (performance standard Rate, een
prestatienorm per eenheid product) te zijn.
4. Wetenschappelijke visie Marjan Peeters (4) stelt voorop
dat er aanleiding is om een economisch handelssysteem als emissiehandel
kritisch te beschouwen op bestuurskundige en juridische aspecten. De
kernvraag daarbij is of de vermeende instrumentele voordelen van
emissiehandel ook daadwerkelijk kunnen worden bereikt, mede gelet op
andere wetgevingskwaliteitseisen zoals rechtmatigheid, uitvoerbaarheid en
handhaafbaarheid. Bovendien gaat het om een somt lastig te begrijpen
systeem, dat door de introductie van verschillende handelssystemen voor
verschillende milieuproblemen alleen maar toeneemt. Daarnaast blijft dan
nog de Wm-vergunningplicht bestaan met afstemmingsregelingen voor resp.
NOx- en CO2- emissiehandelssysteem. De complexiteit van het systeem en
eventuele andere beperking mogen echter niet meteen tot somberheid of
afkeer stemmen. Er zijn immers reeds tot op zekere hoogte positieve
ervaringen te melden vanuit de VS ter bestijding van zure regen. Peeters
bekijkt verder de vraag van rechtvaardigheid in het systeem. Is het niet
zo dat relatief arme burgers in de samenleving onevenredig veel
milieubesparende activiteiten moeten opbrengen. Rijke burgers bezitten
immers over kapitaal en kunnen daarmee vervuiling kopen. Als dit zo is,
kan er behoefte zijn de marktwerking te corrigeren. Ook internationaal
speelt deze vraag, zoals bij het internationale klimaatbeleid en de
verdeling over ontwikkelde en ontwikkelingslanden, waarover in het
Kyoto-protocol afspraken zijn gemaakt. Twee aandachtspunten zijn
volgens Peeters cruciaal: de initiële allocatie (door de wetgever
geregelde wijze van toedeling) van rechten en de handhaving. De allocatie
is een lastig probleem, er wordt in feite kapitaal verdeeld. Dat dit tot
ontevredenheid kan leiden wijzen ervaringen rond varkensrechten en
UMTS-rechten uit. De EG-richtlijn is op dit punt niet er richtinggevend.
Lidstaten moeten uiterlijk 31 maart 2004 hun allocatieplannen ter toetsing
aan de Europese Commissie voorleggen. De vraag zal zijn welke
beleidsruimte de Commissie aan lidstaten laat bij het vaststellen van die
plannen. Geluiden gaan dat de Commissie behoorlijk marginaal toetst, wat
weer gevolgen zou kunnen hebben voor ongelijke concurrentie industrie in
verschillende landen. Handhaving is volgens Peeters een onderbelicht
onderwerp, terwijl er met emissiehandel een serieus risico is op
normontduiking. Door het marktdenken te activeren kan immers ook een
financiële impuls voor normontduiking ontstaan. Ervaringen in het
verleden, ook bij grote bedrijven (Enron, Ahold), leren dat die vrees niet
ongegrond is. Bij de te ontwerpen handhavingsstrategie staat centraal hoe
de monitoring wordt vormgegeven. Verificatie van de monitoring zal daarin
een prominente plaats moeten hebben. Peeters vraagt zich af hoe duur het
instrument van emissiehandel daarmee wordt. De invoering van het systeem
gaat nu wel heel erg snel gaat, hetgeen op korte termijn ongunstig kan
uitwerken voor de uitvoerbaarheid en de handhaafbaarheid van het systeem
en daarmee ook de waardering voor dit marktconforme instrument. Het
tijdpad is zeer strak en lidstaten staan voor een enorme opgave. Bedrijven
zijn in de proefperiode 2005-2007 een soort proefkonijn. Maar toch is er
sprake van een boeiend experiment. De snelle invoering in de EU valt
volgens haar te verklaren door de politieke wil nu een soort klimaatreus
te zijn. Het jaar 2004 wordt dus een druk en spannend jaar, met
belangrijke leereffecten voor de toekomst van dit instrument.
5. De discussie In de discussie spelen er vragen over de
status van emissierechten. Zijn het een civielrechtelijk goed
(registergoed of effect) en waarom heeft de Commissie dat niet geregeld,
in Europees verband is deze vraag immers ook van belang. VROM heeft
volgens Klein Lankhorst deze vragen bij de landsadvocaat neergelegd en
wacht op antwoord. Verder zijn er vragen over het toewijzingsplan. Wat is
de wettelijke basis daarvoor? Ook het convenant benchmarking komt daarbij
ter sprake, maar VROM wil daar op dit moment nog geen uitspraken over
doen. Volgens Jan de Vries (5) is een een op een vertaling van het
convenant naar allocatieplan te kort door de bocht en zeker in de latere
periodes in strijd met de filosofie van de richtlijn. De gedachte is dat
de basis van een CO2 handelssysteem een plafond is. De acceptatie daarvan
en de keuze voor een allocatiesysteem dat daarop aansluit is een basaal
punt. Over de wijze waarop de CO2 handel vorm gaat krijgen zijn de
aanwezigen het eens: er zullen in- en verkoopcombinatie, brokers en
elektronische handelsplatforms op internet gaan ontstaan. Volgens Mensink
gaan ook milieubewegingen rechten opkopen. De Vries acht die vrees
ongegrond, hem zijn geen gevallen bekend van milieuorganisaties die op
substantiële schaal rechten kopen. Soms wel op kleine schaal, om inbreng
te hebben in een systeem, zoals je een Shell-aandeel koopt om naar de
aandeelhoudersvergadering te gaan. Zorg is er vanuit het bedrijfsleven
over gegevensverstrekking. Kunnen, ook in het kader van ‘naming en
shaming’, gegevens over bedrijven straks zomaar openbaar worden? Volgens
Peeters is er pas sprake van ‘naming’ als er een onherroepelijk
handhavingsbesluit is. Vragen zijn er ook over de wisselwerking tussen het
handelssysteem en IPPC in vergunningen. Volgens Klein Lankhorst zullen er
afspraken tussen de NEa en de Wm-bevoegde gezagen gemaakt moeten worden.
Wm-voorschriften zullen gewoon gehandhaafd moeten worden, dat is Nederland
Europeesrechtelijk verplicht. Volgens Mensink stagneert daarmee de handel.
Klein Lankhorst denkt dat dit op te lossen is door zo soepel mogelijke
Wm-normen op te leggen. Volgens De Vries is de beperking van de
vergunning, die als het ware een vloer in de handel legt, geen probleem.
In de VS werkt dat ook zo. In een handelssysteem ben je volgens hem nooit
volledig vrij. Volgens Peeters is de samenloop van systemen inderdaad niet
nieuw. Wel bevreemd haar af en toe het motief van Nederland om NOx handel
in te voeren: met het alara-beginsel zou niet tot verdergaande
voorschriften gekomen kunnen worden. Zij vraagt zich af hoe de positie van
een bedrijf, dat door Alara vanwege de kosten niet gedwongen kan worden
tot verdergaande technieken, bij emissiehandel is. Hoe duur worden de
rechten voor het bedrijf? Misschien is het wel een beetje simpel te
veronderstellen dat de markt het wel oplost. Volgens Klein Lankhorst is
daar wel naar gekeken, studies wijzen uit dat je door de
kosteneffectiviteit van het systeem verder kunt gaan dan alara, waardoor
ook aan de internationaalrechtelijke verplichtingen kan worden
voldaan.
Noten: * Mr. Liesbeth Albers is bureausecretaris van de Vereniging
voor Milieurecht. 1. Senior beleidsjurist bij VROM. 2.
Beleidsmedewerker bij de provincie Zuid-Holland. 3. Beleidsmedewerker
Vereniging van Nederlandse Papier- en kartonfabrieken. 4. Senior
onderzoeker grensoverschrijdend milieurecht, Universiteit
Maastricht. 5. Beleidsmedewerker bij Stichting Natuur en Milieu en
optredend als referent.
|