Externe veiligheid
Verslag van de VMR-studiemiddag op 29 juni 2005
S.T. Ramnewash-Oemrawsingh*
Bij onder andere het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke
stoffen, ontstaan risico’s voor de omgeving. Externe veiligheid betreft
het beheersen van deze risico’s. Omdat honderd procent veiligheid niet
bestaat moeten er keuzes worden gemaakt inzake de risico’s die al dan niet
acceptabel zijn. Onder meer met het Besluit externe veiligheid
inrichtingen (BEVI) (Stb. 2004, 250, grotendeels in werking sinds 27
oktober 2004) wordt beoogd de risico’s te beperken voor omwonenden van
bijvoorbeeld chemische fabrieken en lpg-stations. Hiertoe moeten lagere
overheden bij het opstellen van bestemmingsplannen en het verlenen van
milieuvergunningen rekening houden met externe veiligheid. De VMR
schonk tijdens een studiemiddag aandacht aan deze problematiek. Mw. mr.
E.C.M. Schippers (Pels Rijcken & Drooglever Fortuijn, Den Haag) en mr.
drs. J.H.K.C. Soer (Unit Management Consultants DHV Ruimte en Mobiliteit)
verzorgden de inleidingen, waarna ing. D. de Jong (Ministerie VROM) en mw.
mr. Y.G.C.M. Bijkerk (DCMR) als referent optraden. Hierop volgde ter
afsluiting van de middag een discussie met de aanwezigen in de zaal.
Hieronder volgt een verslag van deze vergadering.
Wet- en regelgeving op het terrein van externe veiligheid
Mevrouw Schippers gaf een korte introductie van de belangrijkste wet-
en regelgeving op het terrein van externe veiligheid. Zij begon haar
inleiding met het aangeven van hetgeen externe veiligheid inhoudt:
enerzijds de veiligheid van bedrijfsmatige activiteiten en het gebruik van
transport-infrastructuur voor de directe omgeving en anderzijds de
beheersing van risico’s voor omwonenden, in termen van overlijden. Er
wordt gewerkt met kwantitatieve analyses en kansen, dat wil zeggen de kans
dat in een kwetsbare bestemming dodelijke slachtoffers vallen door een
ongeval. Daarbij onderstreepte zij dat risico meer inhoudt dan simpelweg
de kans te vermenigvuldigen met effect. Bepalende factoren zijn onder
meer: de mate van (on)vrijwilligheid, de verdeling van baten en lasten, de
vertrouwdheid met of het maatschappelijk nut van de risicovolle activiteit
en de mogelijkheden tot beheersing van het risico. Het externe
veiligheidsbeleid richt zich op de vraag welke risico’s wij
maatschappelijk nog aanvaardbaar vinden. Welke kansen van optreden en
welke effecten zijn wij bereid te accepteren. Het beleid voor externe
veiligheid splitst zich in vier afzonderlijke beleidsterreinen: het
gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen),
het transport van gevaarlijke stoffen en het gebruik van luchthavens. In
de eerste plaats is op het gebied van inrichtingen de risicobenadering het
verst gevorderd. Met de gedeeltelijke inwerkingtreding van het BEVI krijgt
het externe veiligheidsbeleid ten aanzien van inrichtingen eindelijk een
wettelijke grondslag. Het besluit is gebaseerd op artikel 5.1 Wet
milieubeheer. Dit besluit is de voorloper van het Bevi. Daarnaast is op
grond van artikel 15 van het Bevi de Regeling externe veiligheid
inrichtingen (Stcrt. 2004, nr. 183, p. 12) in werking getreden. De
regeling legt vast op welke wijze het risico moet worden bepaald.
Daarnaast is de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico (VROM,
augustus 2004) in concept opgesteld en bevat een uitgebreide beschrijving
en checklist met betrekking tot de verantwoordingsplicht groepsrisico. Tot
slot is de Handreiking Saneringsprogramma Besluit Externe Veiligheid
Inrichtingen (VROM, maart 2005) aan de orde gekomen. In de tweede plaats
zijn de algemene uitgangspunten wat externe veiligheid betreft voor het
vervoer van gevaarlijke stoffen uitgewerkt in de Nota Risiconormering
vervoer gevaarlijke stoffen (RVGS) (TK 1995-1996, 24 611, nr. 2). Sinds
augustus 2004 is er de Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke
stoffen (Stcrt. 2004, nr. 147, p. 16). Met deze circulaire wordt het
beleid als vervat in de Nota RNVGS verder verduidelijkt en vormt een grote
verbetering. In de derde plaats passeerde wet- en regelgeving ten aanzien
van het gebruik van luchthavens de revue. Het gebruik van Schiphol is
geregeld in de Wet luchtvaart en in het bijzonder, in hoofdstuk 8 en twee
daarop gebaseerde AMvB’s, te weten het Luchthavenindelingbesluit Schiphol
(Stb. 2002, 591) en het Luchthavenverkeerbesluit Schiphol (Stb. 2002,
592). Het is de bedoeling dat de normering voor de externe veiligheid voor
regionale en kleine luchthavens wordt vastgelegd in een nieuw hoofdstuk
van de Wet luchtvaart en dat een en ander wordt geconcretiseerd in een
AMvB. Drie kernbegrippen binnen het thema externe veiligheid die de
afzonderlijke beleidsterreinen met elkaar verbinden, zijn plaatsgebonden
risico, groepsrisico en kwetsbare objecten. Met ‘plaatsgebonden risico’
wordt bedoeld: de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en
onbeschermd op een plaats buiten een inrichting verblijft, komt te
overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval in de
inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. De plaats is hierbij
maatgevend. Dit wordt ruimtelijk weergegeven op een topografische kaart
door middel van risico-contour (lijnen getrokken door punten met gelijk
risico). De contour die hoort bij 10-6 per jaar heet in de praktijk de pr
(plaatsgebonden risico)-contour. De pr-contour is dus een risico-contour
die hoort bij een kans van één op de miljoen. Het begrip ‘groepsrisico’
wordt gedefinieerd als de kans per jaar dat een groep personen met een
bepaalde omvang in de omgeving van de inrichting het dodelijk slachtoffer
wordt van een ongewoon voorval waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.
Dus hier is het aantal dodelijke slachtoffers maatgevend. De grenzen voor
het groepsrisico beogen sociale ontwrichting te voorkomen. Hoe meer mensen
in de buurt van de activiteit aanwezig zijn, hoe groter het groepsrisico.
Het groepsrisico wordt weergegeven in een fn-curve, waarbij ‘f’ staat voor
frequentie en ‘n’ voor het aantal slachtoffers. Het element ‘kwetsbare
objecten’ wordt opgedeeld in ‘beperkt kwetsbaar’ en ‘kwetsbaar’. Of een
object kwetsbaar is wordt bepaald aan de hand van de volgende criteria:
aard van de functie, aantal aanwezige personen, fysieke en psychische
gesteldheid, aanwezigheidsduur en adequate vluchtmogelijkheden.
Externe veiligheid in de praktijk: voorbeelden De heer Soer
besprak voorbeelden vanuit de ruimtelijke besluitvorming en werkte een
aantal scenario’s uit aan de hand van grafieken en illustraties. Hij
opende zijn verhaal met de mededeling dat de essentie van externe
veiligheid neerkomt op de kans dat er iets gebeurt. Er werd vooral
ingegaan op het ‘plaatsgebonden risico’ en het ‘groepsrisico’. Het
plaatsgebonden risico wordt op de kaart aangegeven met risico-contouren en
milieuzonering. Dit laatste houdt in dat met behulp van zogenaamde
effectcirkels op de kaart wordt geschoven om het kloppend te maken. Het
groepsrisico wordt weergegeven door de eerdergenoemde fn-curve, maar omvat
ook de motivering en verantwoording. Het groepsrisico is dus
interessanter, aangezien het breder is dan de harde rekensom: het is ook
afhankelijk van de fysieke situatie. Aan de hand van kaarten en grafieken
werd het groepsrisico in een voorbeeld bepaald. Alle mogelijke
rampscenario’s werden losgelaten op de omgeving van een tankstation. De
uiteindelijke fn-curve (van het groepsrisico) werd afgezet tegen de
oriënterende waarde van het groepsrisico die de overheid vastlegt als
uitgangspunt. Het effect op de fn-curve is afhankelijk van de
bevolkingsdichtheid en waar bepaalde risico’s zich bevinden. Zoals gezegd,
vormt de verantwoording ook een deel van het groepsrisico. Dit wordt
bepaald door de meer fluïde aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid.
De succesfactoren bij zelfredzaamheid zijn eigen zelfredzaamheid (hoe kom
ik op een veilige plek?) en de omgevingsfactoren, zoals functie-indeling,
infrastructuur, bebouwing en alarmering. De succesfactoren bij
rampenbestrijding zijn bestrijdbaarheid en de omgevingsfactoren, zoals
bereikbaarheid, opstelmogelijkheden, inzetbaarheid van middelen en
reductie van blootgestelden. Deze aspecten van het groepsrisico werden
geïllustreerd aan de hand van een scenario waar een tankwagen over
vijftien minuten zou exploderen. Tot slot werd een aantal aanbevelingen op
een rijtje gezet. In de eerste plaats is de zorg voor een goede
risico-inventarisatie nodig (identificatie van kwetsbare objecten in een
vroeg stadium en kennis over wat en waar de risico’s zijn) en moeten
afstanden voor het plaatsgebonden risico’s in acht genomen worden.
Bovendien moet er gestuurd worden met bevolkingsdichtheden en is het aan
te raden om in overbelaste situaties naar alternatieven te zoeken
(gebieden met hoge risico’s en veel kwetsbare objecten). Verder moet men
over de risico’s communiceren (naar de brandweer toe bijvoorbeeld, maar
ook richting de burger). Als laatste werd aanbevolen om een brede
veiligheidsvisie aan te houden (externe veiligheid is slechts een
onderdeel van de planvorming).
Referent 1 De heer de Jong was tevreden met de opmerking van
Schippers dat het BEVI een meesterwerk is, aangezien het ingewikkelde
materie behelst. Hij is zelf vanaf 2002 bij het BEVI betrokken geraakt.
Hij merkte op dat er kennelijk in de praktijk behoefte is aan een hoge
mate van detail. Het BEVI is nog niet af. Men is bezig met het opstellen
van één rekenmodel, waarmee iedereen uit de voeten moet kunnen. Ook wordt
onderzocht of er bedrijven zijn die onder de regeling moeten vallen, maar
dat nu nog niet doen. Wat de uitvoering betreft zijn er
voorlichtingsrondes gehouden met provincies en gemeenten. De Jong blikte
vervolgens kort vooruit. Naar aanleiding van de opdracht van de Commissie
Oosting na de ramp in Enschede, om te zorgen voor een transparant en
uitvoerbaar externe veiligheidsbeleid, is men ook bezig met de regulering
van de transport. Er is al een Circulaire risiconormering vervoer
gevaarlijke stoffen, maar een wettelijke verankering heeft de voorkeur.
Bovendien heeft het kabinet eerder dit jaar besloten om de
transportleidingen voor gevaarlijke stoffen, zoals aardgas, te reguleren.
Met dat doel is er een taskforce in het leven geroepen dat hopelijk over
twee tot drie met resultaten komt. De Jong merkte op dat dit,
vergelijkbaar met Enschede, een activiteit is waar niet goed op is gelet.
Over de de norm voor het plaatsgebonden risico wilde hij ook wat kwijt.
Hij benadrukte dat het bij een risico gaat om het verkorten van de
levensverwachting en iedere activiteit die daaraan bijdraagt een te veel
is. Het gaat dus niet om elke kans van 10-6 afzonderlijk, maar om de
optelsom van al die kansen. Dat is de gedachte achter de norm voor het
plaatsgebonden risico: het betreft een fatsoensnorm. De Jong sloot af met
de opmerking dat hij zich kon vinden in het verhaal van Soer over de
afweging bij het groepsrisico. Het is ook van belang wat men kan doen en
heeft gedaan ter voorkoming van een risico, met andere woorden de
verantwoordingsplicht van het groepsrisico.
Referent 2 Mevrouw Bijkerk vond het door Schippers gegeven
overzicht van de toepasselijke regelgeving zeer verhelderend. Zij wilde
met het oog op de discussie een aantal kanttekeningen plaatsen. Ten eerste
vroeg zij zich ten aanzien van het onderscheid tussen oriënterende waarden
en harde normen af waarom er niet meer harde normen zijn. Volgens haar
hebben bedrijven en burgers meer helderheid nodig. Vervolgens stapte zij
over naar de inleiding van Soer. Zij stelde zijn handreikingen op prijs,
maar was wel huiverig over de verantwoording bij het groepsrisico. Zij was
van mening dat het moeilijk is voor de lokale overheid om de grens te
bepalen wanneer er wel of niet een bedrijf bij mag komen in een bepaald
gebied. Tot slot gaf Bijkerk wel aan gerust te zijn over de hoeveelheid
regelgeving op dit terrein en het werk dat ondernomen wordt om de lacunes
op te vullen.
Plenaire discussie De eerste vraag van de Kok over overlopen
van risicocontouren over buurinrichtingen werd gekoppeld aan een
schriftelijke vraag over cumulatie van risico. Soer antwoordde dat het
BEVI geen rekening houdt met buurbedrijven. De hoofdregel is dat er geen
cumulatie plaatsvindt. Schippers voegde toe dat er dus afzonderlijke
cirkels om kwetsbare objecten worden getrokken. Broeren wierp tegen dat in
theorie er toch cumulatie van activiteiten plaatsvindt als het risico
wordt berekend en bij de ABRvS ingevolge haar motiveringsplicht. Soer
waarschuwde op zijn beurt voor het verwarren van cumulatie met een
domino-effect. Vervolgens stelde Hoogenboom dat de verantwoording van het
groepsrisico geen rol speelt bij de milieuvergunning. Soer was het daar
niet mee eens, maar gaf toe dat het bevoegd gezag niet altijd wat met het
groepsrisico kan aanvangen, omdat veel zaken een bedrijf eenmaal niet zijn
aan te rekenen. Naar aanleiding van een vraag van Schutte-Postma over de
Nederlandse keuze voor de risicobenadering, lichtte Soer toe dat de
Europese Seveso richtlijnen de lidstaten vrij laten om een benadering te
kiezen: risico of effect. Duitsland en Frankrijk hebben bijvoorbeeld
gekozen voor de effectbenadering. De Jong gaf ook mee dat de Seveso norm
geïmplementeerd is in het BEVI, maar dat dit laatste verder gaat door de
keuze voor de risicobenadering, hetgeen ook in Engeland is gebeurd. Hij
vond de effectbenadering problematisch, aangezien men heel veel afstanden
in acht moet nemen. Broeren stelde het Vuurwerkbesluit aan de orde, waarop
Schippers reageerde dat dit een vreemde combinatie is van vaste afstanden
en effect. Een andere vraag betrof de keuze van de Wm als kader voor
veiligheid en gezondheid. Schippers stelde dat het logisch is om artikel
5.1 als basis te hebben, aangezien het gaat om milieukwaliteitseisen en
het inrichtingenbegrip ook gehanteerd wordt. Jongma betwistte dat en trok
in twijfel of er sprake is van milieukwaliteitseisen. Volgens haar betreft
het zonering en afstandseisen en zou dus de WRO het geschikte kader zijn.
Tot slot werd ook ingegaan op de jurisprudentie op dit terrein. Cup was
benieuwd of de rechter in dit soort zaken marginaal toetst. Schippers
lichtte toe dat de rechter zich zeer kritisch opstelt, vooral in het geval
waar iemand met een gemotiveerde tegenberekening of analyse komt. Cup kon
zich indenken dat er een discussie over het gevolgde model zal blijven,
zolang er geen uniform model is opgesteld. Schippers benadrukte nogmaals
de geëngageerde houding van de rechter in deze zaken.
Noot: * Mw.mr. Sangini T. Ramnewash-Oemrawsingh is als aio werkzaam
bij het Centrum voor Milieurecht, Universiteit van Amsterdam.
|