Duurzaam ondernemen en regelgeving
Verslag van een ledenvergadering van de Vereniging voor Milieurecht
1. Inleiding
Op 11 oktober 2000 hield de VMR een ledenvergadering naar aanleiding van
het onderzoeksrapport 'Duurzaam ondernemen en regelgeving' . Inleiders
waren prof. mr. J.M. Verschuuren (KUB, één van de auteurs
van het rapport), mevr. mr. R. Uylenburg (Centrum voor milieurecht UvA)
en mr. J.H.G. van den Broek (VNO/NCW). Hieronder volgt een verslag.
2. Het onderzoeksrapport 'Duurzaam ondernemen en regelgeving'.
Jonathan Verschuuren geeft als één van de auteurs, een toelichting
op het rapport. Onderzocht is de relatie tussen duurzaam ondernemen en
regelgeving, waarbij uitdrukkelijk aandacht moest worden geschonken aan
de gewenste ruimte aan ondernemerszijde, eventuele knelpunten en vernieuwende
opties binnen en buiten het bestaande kader. Het rapport geeft een eerste
inkijkje in een nieuwe generatie milieuwetgeving zoals die over 20-30
jaar idealiter zou moeten bestaan. De onderzoekers definiëren duurzaam
ondernemen als volgt: 'duurzaam ondernemen is ondernemen gebaseerd op
de beginselen van preventie en voorzorg, waarbij uitsluitend gebruik gemaakt
wordt van vernieuwbare energie en grondstoffen (inclusief brandstoffen
en andere stoffen), geen 'verlies naar het milieu' bestaat van afvalstoffen
in welke vorm dan ook ('zero emission') en een verantwoord beslag wordt
gelegd op de beschikbare ruimte, waardoor uiteindelijk door 'het ondernemen'
geen nadelige gevolgen ontstaan voor water, lucht, bodem of natuur (incl.
biodiversiteit) in binnen en buitenland.' De eerste conclusie uit het
onderzoek is dat de rol van de wetgeving beperkt is. De ondervraagde bedrijven
zien wetgeving niet als een groot probleem of hinderpaal, hooguit spoort
wetgeving op sommige onderdelen niet helemaal met op duurzaamheid gerichte
initiatieven. Als de overheid bedrijven al wil sturen dan moet dat door
aan te sluiten bij, en ruimte te geven aan eigen initiatieven. Het bedrijfsleven
heeft behoefte aan een overheid die niet zozeer modificeert, maar bestaand
gedrag codificeert en de regels van het speelveld vaststelt. De tweede
conclusie is dat, ondanks de beperkte rol, de huidige wet-en regelgeving
goede initiatieven frustreert. Zo sluit het daarin centrale begrip 'ínrichting'
niet aan bij de praktijk, waarin een bedrijf in veel verschillende verbanden
opereert, zoals binnen een productieketen, een bedrijfstak of concern.
Verder werkt belemmerend dat het 'alara-beginsel' momenteel geldt op het
niveau van milieucompartimenten afzonderlijk en niet op het niveau van
de gehele inrichting of bredere verbanden en de regelgeving nauwelijks
experimenten toestaat. En een volledige integrale benadering van alle
milieuproblemen bij één bedrijf vindt nog altijd niet plaats.
Oplossingen op korte termijn zijn bijvoorbeeld verruiming van het inrichtingenbegrip
en het alara-beginsel zodat een integrale vergunning voor een duurzaam
bedrijventerrein of het reguleren van productieketens mogelijk wordt.
Een volgende oplossing is integratie van bestaande milieu-productregelingen
in de Wm. Tenslotte moeten de vergunning op hoofdzaken en vergunningen
op maat beter worden gefaciliteerd en experimenteren met nieuwe technologie
of productiewijzen mogelijk gemaakt worden.
Hiervoor moet ook concreet gekeken worden naar het niveau van regulering,
bijvoorbeeld regulering van grote complexe bedrijven op landelijk niveau
zodat voor alle inrichtingen van één concern een 'super-integrale'
afweging gemaakt kan worden door een overheid die ook de kennis en bevoegdheid
heeft om dat te doen. Verder zou gedifferentieerd moeten worden naar ambitieniveau
van de bedrijven door bijv. een aparte, flexibeler regeling voor koplopers.
Op de hele lange termijn zou gedacht kunnen worden aan het reguleren van
productketens of het voorschijven van een bepaald milieurendement aan
een hele ondernemingen, vooropgesteld dat dit meetbaar is. De onderzoekers
wijzen op de belangrijke rol van de Europese Unie, waar steun moet worden
verkregen voor een dergelijke aanpak. De IPPC-richtlijn bijvoorbeeld,
gaat evenals de Wm nog steeds uit van een integrale aanpak per inrichting
en zou dus roet in het eten kunnen gooien. Verschuuren hoopt dat het rapport
een eerste aanzet geeft tot het nadenken over vernieuwing van de milieuwetgeving.
3. Van rol van wetgever naar mogelijkheden voor wetgeving
Rosa Uylenburg, gevraagd voor een kritische noot, maakt een aantal opmerkingen
over het rapport. Zij vindt het jammer dat nauwelijks aandacht wordt geschonken
aan concrete projecten, juist omdat de onderzoekers bepleiten dat aangesloten
moet worden bij initiatieven uit het bedrijfsleven. Concrete projecten
vormen een beter uitgangspunt voor het denken over aanpassing en vernieuwing
van wettelijke instrumenten, want verschillende initiatieven vergen waarschijnlijk
verschillende juridische oplossingen. Ter illustratie bespreekt zij juridische
instrumenten ter bevordering van hergebruik en de inzet van alternatieven.
Om hergebruik of recycling teweeg te brengen is veelal samenwerking tussen
bedrijven noodzakelijk. De onderzoekers hebben gekeken naar de stolpvergunning,
bijvoorbeeld voor een duurzaam bedrijventerrein. Volgens Uylenburg kleven
daar nogal wat haken en ogen aan, wat gebeurt er bijvoorbeeld als een
bedrijf niet in de pas loopt? Houdt de vergunning dan op te bestaan? Bovendien
dreigt strijd met de IPPC-richtlijn. Op de korte termijn moet daarom de
individuele milieuvergunning gehandhaafd blijven met daarnaast een constructie
(privaatrechtelijk, evt. met publiekrechtelijke elementen) die de samenwerking
bevordert.
Een andere stimulans is het uitruilen van milieugevolgen binnen of tussen
bedrijven. Bijvoorbeeld: de luchtemissies nemen af maar daardoor neemt
de geluidbelasting toe. Daartoe zou mogelijk het Alara-beginsel geherformuleerd
moeten worden. Verder is ook volgens Uylenburg ruimte om te experimenteren
nodig, echter niet in het wilde weg, maar naar aanleiding van concrete
voornemens van een bedrijf.
Een ander aspect van duurzaam ondernemen is het stimuleren van het gebruik
van alternatieve grondstoffen, energie, transport en eindproducten etc.
Dit vergt een ruimer afwegingskader bij de vergunningverlening. Dit zou
moeten door verbreding van de reikwijdte van de toetsing en de sterke
binding tussen aanvraag en besluit te verlaten. Alleen dan wordt het mogelijk
om alternatieven aan te dragen of voor te schrijven of een vergunning
zelfs te weigeren als er voor een productieproces, of in het uiterste
geval het product, een veel milieuvriendelijker alternatief bestaat. De
Afdeling bestuursrechtspraak toont zich daarin echter vooralsnog zeer
terughoudend (GEP-zaak, Hoogovens-zaak) .
4. Vanuit de ondernemers bekeken.
Jan van den Broek pleit ervoor om bij duurzaam ondernemen toch vooral
ook rekening te houden met de economische en sociale aspecten van duurzame
ontwikkeling. In het rapport gebeurt dat niet en dat maakt de gebezigde
definitie voor ondernemers minder aantrekkelijk. Toch ziet hij de uitkomsten
van het rapport als waardevol omdat het de vraag behandelt aan welke eisen
de milieuwetgeving moet voldoen om het voor bedrijven mogelijk te maken
systematisch hun milieubelasting te reduceren. Duurzaam ondernemen is
een houding en kan niet door de wetgever worden afgedwongen. Voor ondernemers
is duurzaam ondernemen echter niet alleen gebaseerd op idealisme maar
ook op eigenbelang (kosten (het voorkomen ervan), reputatie, motivatie
van medewerkers en aansprakelijkheid). Toch staat vast dat ook milieuwetgeving
bijdraagt aan de invoering van schonere technologie. Van den Broek bekijkt
de Nederlandse wetgeving en concludeert dat deze nauwelijks aansluit bij
nieuwe ontwikkelingen zoals milieu-convenanten, bedrijfsmilieuplannen
e.d.. Aandachtspunt is de mogelijkheid van een geïntegreerde benadering
van milieu-effecten van een bedrijf waarbij o.a. gelet moet worden op
bedrijfsinterne en bedrijfsexterne integratie, economische, sociale en
internationale aspecten. Oplossingen voor de gesignaleerde knelpunten
zijn: één centrale milieukaderwet waarin alle versnipperde
regelingen worden ondergebracht, één integrale milieuvergunning
per bedrijfsactiviteit, meer aandacht voor Europese regelgeving, het kunnen
betrekken van sociale en economische belangen in de afweging (alara verhindert
dit) en aansluiting bij de belevingswereld van bedrijven (bijvoorbeeld
regulering op concernniveau in plaats van inrichtingenniveau), toepassen
van de ketenbenadering waarbij de totale milieubelasting in de keten kan
worden geoptimaliseerd. Van eisen op productniveau is Van den Broek een
tegenstander omdat daarbij aspecten als marktvraag en kwaliteit om de
hoek komen kijken en afspraken daarover aan ondernemers zelf overgelaten
moeten worden. Ook acht hij flexibiliteit erg belangrijk voor innovatie
en efficiëntieverbeteringen. De praktijk moet daarbij ruim gebruik
maken van (deels reeds bestaande) mogelijkheden zoals doelvoorschriften,
vangnetbepalingen, de meldingsregeling, de raamvergunning en de mogelijkheid
om prioriteiten te stellen bij het terugdringen van emissies.
5. De discussie
In de discussie krijgt de concern - vs. inrichtingsbenadering de nodige
aandacht. Volgens mevr. Robesin (Stichting Natuur en Milieu) moet 'de
inrichting' niet te snel uit het oog worden verloren, grote concerns behalen
anders gemakkelijk voordelen ten opzichte van kleine bedrijven. Daarnaast
vraagt zij zich af hoe het VNO de ketenaanpak ziet als men zegt geen regels
voor producten te willen. Het product is toch het belangrijkste aangrijpingspunt
voor ketenbeheer? Van den Broek geeft aan dat het VNO productregels niet
als de enige mogelijkheid voor ketenbenadering ziet. Bedrijven zouden
onderling moeten kunnen afspreken waar in de keten de grootste effecten
behaald kunnen worden om de totale emissie te reduceren, daarbij hoeven
niet persé regels aan producten gesteld te worden. Ook andere aanwezigen
vragen om méér aandacht voor productenbeleid. Volgens Verschuuren
is hieraan in het rapport wel degelijk aandacht geschonken. De onderzoekers
merkten dat bedrijven in de praktijk bij het daaraan gekoppelde ketenbeheer
veel belemmeringen ervaren in de houding van de overheid. Bijvoorbeeld:
een bedrijf dat veel milieuwinst heeft gemaakt met een productinnovatie
loopt de kans toch te maken te krijgen met een toezichthouder die valt
over een residu in een putje. Dat staat dan in geen verhouding tot de
door het bedrijf geboekte milieuwinst. Of een vervoersplan, dat van tafel
geveegd werd omdat het iets meer geluidbelasting betekende.
Een van de aanwezigen wil weten hoe Van den Broek denkt over de door Uylenburg
voorgestelde mogelijkheid om bij vergunningverlening af te wijken van
de aanvraag. Van den Broek moet daar niets van hebben: "Als ik naar
de bakker gaat voor een brood wil ik niet thuiskomen met een doos taartjes".
Bij die werkwijze wordt namelijk geen afweging gemaakt met bijvoorbeeld
economische factoren. Als de overheid wil reguleren moet zij dit doen
door vantevoren, en niet bij de afweging bij de Wm-vergunning, het speelveld
voor de ondernemer duidelijke af te bakenen. Volgens Uylenburg moet het
echter toch mogelijk zijn om milieuvriendelijker methodes voor te schrijven
als die in de bedrijfstak volstrekt normaal en gangbaar zijn, bijvoorbeeld
bij Groen-Labelstallen. Het voorschrijven daarvan of het weigeren van
de vergunning kan op dit moment niet. Achterblijvers dienen gestimuleerd
te worden en niet slechts welwillende bedrijven. Daarmee wordt de beperkte
wijze waarop de Raad van State de verruimde reikwijdte interpreteert aangesneden.
Uylenburg ziet juist in de verruimde reikwijdte een goede mogelijkheid
om iets te zeggen over gebruik van grondstoffen of de productiemethode.
Je hoeft dan niet eens aan de aanvraag te komen. Michiels, (UU) is het
met Uylenburg eens waar zij stelt dat de rechter de wet niet goed toepast.
Je hoeft inderdaad niet aan de aanvraag te komen doordat tot de 'verruimde
reikwijdte' uitdrukkelijk de milieubelangen horen die bij artikel 8.11
Wm afgewogen moeten worden: namelijk het zoveel mogelijk beschermen van
het milieu. Dit vraagt om een kritische benadering van de Afdeling. Uylenburg
vindt echter dat je met die verruimde reikwijdte niet veel opschiet, zolang
de Afdeling de koppeling tussen de aanvraag en vergunning strikt blijft
uitleggen, in die zin dat een wijziging in de grondstoffen betekent dat
het om een andere inrichting gaat. Een oplossing zou het weigeren van
een vergunning kunnen zijn. Vervolgens gaat de discussie over de stolp-
of raamvergunning voor duurzame bedrijventerreinen. Volgens Uylenburg
moet de individuele milieuvergunning niet te snel overboord gezet worden,
mede met het oog op de IPPC-richtlijn. Verschuuren denkt dat toch gezocht
moet worden naar een 'raamvergunning' met deelvergunningen voor elke inrichting
afzonderlijk met daarbij een machtige partij (een eigenaar van het bedrijventerrein)
die kan ingrijpen in het functioneren van deelnemers via afgesloten contracten.
Vervolgens bespreekt men de noodzaak van uitwisselbaarheid van milieueffecten
en de grenzen die je daaraan moet stellen. Alara zou daarbij voor de hele
inrichting kunnen gelden met het vaststellen van begrensde mogelijkheden
tot afwijking op deelgebieden. Ook de noodzakelijke experimenteerruimte
wordt besproken. Nogmaals komt naar voren dat bedrijven het belangrijk
vinden dat de overheid duidelijk maakt wat dan wel en niet mag, voordat
een bedrijf plannen maakt. Volgens Uylenburg is het niet mogelijk om dergelijke
randvoorwaarden in algemene zin vast te stellen en moet er toch bij concrete
plannen aangesloten worden. Bovendien moeten derden kunnen meedenken over
het vaststellen van die randvoorwaarden. Tot slot wordt gesproken over
subsidieverlening als stimulans. Havekes (Unie van Waterschappen) noemt
de Wvo waar financiële prikkels in de vorm van heffingen en subsidies
al jaren gewoon zijn. Het bedrijfsleven is hier volgens Van den Broek
in het algemeen niet zo voor omdat het vaak leidt tot het rondpompen van
geld. Prikkels zitten op dit moment al in de markt en de overheid moet
dat niet verstoren, zeker niet alleen Nederland. Daarmee wordt de discussie
afgesloten. Het is moeilijk een conclusie te trekken of het zou moeten
zijn dat er over dit onderwerp veel discussiestof aanwezig is, dat toonden
de diverse interessante bijdragen en opgeworpen discussiepunten wel aan.
De tekst van de inleidingen en de discussie verschijnt medio 2001 in de
VMR-publicatiereeks.
mr. L. Albers (secretaris Vereniging voor milieurecht)
|